Inleiding

In 2010 kwam ik op internet Herman L tegen, een kostschoolgenoot. Hij liet me weten dat er één pater was die hij graag wilde terugzien: den Armand. Die was gedurende de laatste twee jaar van ons verblijf in het Missiecollege onze begeleider. Een bijzonder iemand aan wie veel oud-leerlingen goede herinneringen bewaren. Door de jaren heen ben ik (onregelmatig) contact met hem blijven houden. Ik beloofde Herman een afspraak te regelen, maar het viel niet mee om Armand te pakken te krijgen: hij bleek al enige tijd in een Nijlens verzorgingshuis te revalideren na twee operaties aan zijn knie. We besloten hem te verrassen. Het werd een gedenkwaardige ontmoeting.  Pater Armand, die wel zijn mobiliteit maar niet zijn humor kwijt was, worstelde met de naweeën van de narcose: het heeft hem veel moeite gekost om zijn geheugen weer op orde te krijgen.
Herman en ik doken na ons bezoek aan Armand een Lierse kroeg in en we bleken elkaar heel wat te vertellen te hebben. Met enkele gabbers uit die tijd wilden we graag nog ‘ns rond een cafétafel zitten. Via internet werden in eerste instantie Fons H, Nico P en Etienne M opgespoord. Sinds die tijd treffen we elkaar  jaarlijks (in wisselende samenstelling) in een Liers restaurant. Wat me bij het eerste weerzien vooral opviel was het gemak waarmee de draad van vroeger weer werd opgepakt. Alsof het niet van ons achttiende geleden was dat wij, zestigers inmiddels, elkaar nog gezien hadden. In de volgende jaren kwamen we achter het (mail)adres of telefoonnummer van nog meer klasgenoten: Dirk S, Hubert S en Willy L. Nu ook André C is opgespoord, blijven, zover ik weet, alleen Karel H en Luc D over. Pater Armand was vanaf 2012 ook jaarlijks van de partij. Hij had het liefst iedere week afgesproken! Eind 2016 is hij op negentigjarige leeftijd overleden.

Vlnr: Herman L, Fons H, pater Armand

Korte geschiedenis

In de tweede helft van de 19de eeuw richtten de paters van de Heilige Geest, ook wel Spiritijnen genoemd, een Missiecollege met internaat op aan de Lisperstraat in Lier. De Congregatie van de Paters van de Heilige Geest was een missiecongregatie. Jongens (uit voornamelijk de Antwerpse Kempen en Limburg) volgden in het Missiecollege vanaf hun twaalfde de oude humaniora (Latijn-Grieks). Het was uiteraard de bedoeling dat zoveel mogelijk leerlingen zich 'geroepen' zouden voelen tot het priesterschap. Door de maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren zestig van de vorige eeuw, verloor het Missiecollege zijn bestaansrecht: er waren geen roepingen meer. In 1968 kocht het bisdom Mechelen de gebouwen aan de Lisperstraat om er in 1973 de lagere school van het Sint-Gummaruscollege te vestigen.


Geronseld

Of het nu Franciscanen, Salvatorianen, Benedictijnen of Spiritijnen waren: iedere orde met een internaat had een pater-propagandist die jongens met een mogelijke roeping moest ronselen voor de eigen kostschool. Meestal informeerden ze bij (dorps)pastoors naar families met vrome misdienaars van een jaar of elf, twaalf. Die werden vervolgens vereerd met een bezoek. Het advies dat de pastoors aan de betrokken families gaven, woog zwaar. Of zij gevoelig waren voor de wijn en de sigaren van de ronselende paters, is mij niet bekend. Mijn ouders kregen bezoek van verschillende ordes. Dat zij voor het Missiecollege kozen, had te maken met hun boekhouder: diens zoon zat al enkele jaren in Lier. Zin om op internaat te gaan, had ik hoegenaamd niet. Pater van der V, de propagandist van de Spiritijnen, probeerde mij te paaien met verhalen over het voetballen in het Missiecollege: de kadettenploeg speelde volgens hem in witte shirts, rode broekjes en rode kousen. Het volledige tenue bleek achteraf uit behoorlijk versleten blauwe truitjes te bestaan. Met een rood kraagje, dat wel.

Staande, uiterst rechts, tussen keeper en pater S: moi.

Afscheid

Waarom moesten mijn broer en ik op internaat? Een idee van mijn vader is het niet geweest: hij had geen hoge dunk van geestelijken en vond het zelf  al uitermate vervelend om één nacht van huis te zijn. Dat hij er, ondanks mijn forse tegenzin, mee instemde kwam omdat hij mijn moeder een huwelijk lang op handen heeft gedragen en de opvoeding van de kinderen aan haar overliet. En mijn moeder was zeer gecharmeerd van paters, pastoors en bisschoppen. Van een onderwijzer van de lagere school had ze vernomen dat ik gedurende de lessen meer uit het raam zat te dromen dan op te letten. Aangezien mijn moeder naast het huishouden een fietsenwinkel runde, bleef er volgens haar te weinig tijd over om zich bezig te houden met onze studie. Mijn broer leerde een stuk minder makkelijk dan ik. Het college was te hoog gegrepen voor hem. Hij deed het eerste jaar over maar zakte opnieuw. Daarna ging hij naar een technische school waar hij veel beter tot zijn recht kwam. Intussen had hij wel twee jaar lang mijn doen en laten doorgebriefd aan mijn moeder, die lijdzaam moest toezien dat ook de paters mijn dromerijen niet de baas konden. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik, om mezelf te beschermen, op mijn elfde al behoorlijk definitief afscheid genomen heb van thuis. Mijn vader heeft zich nooit uitgeproken over ons internaatsleven, maar in de grote vakantie voor ik naar Lier vertrok, zette hij een racefiets voor mij in elkaar. De fiets werd het symbool van onze relatie en die speelde zich niet af binnen maar buiten het gezin.

Met mijn eerste koersfiets op de piste van Zwartberg

Bewogen verhalen

In 2000 verscheen in een beperkte oplage Bewogen verhalen. Herleefd verleden. De gedenk-bundel werd geschreven door oud-leerlingen van het Missiecollege. De meeste verhalen komen uit de periode 1948-1960. Mijn generatiegenoten (1960-1969) hadden blijkbaar weinig zin om te reageren op het verzoek van de redactieleden.
Veel bijdragen komen overigens van één en dezelfde auteur: Jos P. Hij schrijft o.a.: 'Het schoolregime was een beproefde vorm van opvoeding. Het idee en model kwamen van militaire academies en middeleeuwse kloosterscholen. Het had zijn efficiëntie bewezen in het aankweken van zelfstandigheid, eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Door het gemeenschapsleven en de discipline leerde men gezag te aanvaarden en leiding te geven.'
Of je kreeg er een hartgrondige hekel aan hiërarchie en macht, dat kon natuurlijk ook.
Eveneens opvallend is de volgende passage: 'Ook in het missiecollege, de informatie komt uit de jaren zestig, zijn enkele paters toch wat te intiem omgegaan met leerlingen. Ook dat zal wel veroorzaakt zijn door de eenzaamheid, het gebrek aan sociale contacten en de geleidelijke vervaging van de normen. Toch is het hoe dan ook een blaam voor de betrokken paters.'
Het zou nog tien jaar duren eer er in België en Nederland een stortvloed aan onthullingen over seksueel misbruik in o.a. katholieke internaten naar buiten kwam.


Dagindeling

Hoe zag een doorsnee dagindeling er uit in het Missiecollege? Voor zover ik het me herinner:

06u00: Opstaan, wassen, aankleden
06u15: Ochtendgymnastiek, op de speelplaats
06u20: Ochtendstudie, voorafgegaan door ochtendgebed
07u20: Gelezen H.Mis
07u50: Ontbijt (in stilte, één van de leerlingen las een boek voor)
08u10: Opmaken bed
08u15: Handwerk/Corvee (aardappels schillen, slaapzalen vegen, refter opruimen, wc's poetsen)
08u45: Eerste lesuur
09u35: Tweede lesuur
10u25: Pauze
10u35: Derde lesuur
11u25: Vierde lesuur
12u15: Einde lessen voormiddag
12u20: Rozenkrans bidden (in rijen van drie rondjes lopend op de speelplaats)
13u00: Middageten
13u30: Speeltijd
14u00: Strafstudie (voor wie het van toepassing was)
14u30: Middagstudie
15u00: Vijfde lesuur
15u50: Zesde lesuur
16u40: Einde lessen namiddag
17u00: Avondeten
17u45: Avondstudie
19u00: Flesje chocomel plus koek
19u15: Vervolg avondstudie
20u00: Leesstudie (mochten er boeken gelezen worden, alléén dan!)
20u30: Speeltijd, repetities fanfare (?), bezoek aan de 'ziekenpater'
21u00: Avondgebed
21u15: Naar de slaapzalen
21u30: Lichten uit

In de drie hoogste klassen kon er, indien gewenst, na het avondgebed nog verder gestudeerd worden. Op de woensdagmiddagen werd er gevoetbald. In de jaren dat de leerlingen niet iedere week naar huis mochten, was er een apart programma op zondag. Naast de gelezen H.Mis om 07u00 was er een Hoogmis om 11u00 en een lof in de vooravond. 's Namiddags waren er KSA-activiteiten of er mocht een voerbalwedstrijd bezocht worden.

Zelfde soort slaapzaal als in het Missiecollege

Jongens op kostschool

In 1991 publiceerde Jos Perry bij uitg. Bruna het boek Jongens op kostschool (het dagelijks leven op katholieke jongensinternaten). Ik citeer de achterflaptekst: 'Hoe zag het leven er uit binnen de internaten? Wat mocht, wat was verboden? Welke sancties wachtten de vermetele knaap die te ver ging? Hoe zat het eigenlijk met de seksuele voorlichting en met bijzondere vriendschappen? Hebben oud-kostschoolleerlingen het gevoel dat de opvoeding door priesters een stempel op hun latere leven heeft gedrukt? In Jongens op kostschool gaat Jos Perry (1950), zelf oud-leerling van twee kostscholen, op zoek naar de antwoorden. Hij laat oud-leerlingen en oud-opvoeders aan het woord. Zo rijst een beeld van de nu eens komische, dan weer tragische lotgevallen van generaties jongens, die met gemengde gevoelens terugkijken naar de uren in refter en studiezaal, kapel en slaapzaal.'


Kom eens naar mijn kamer

Vijf jaar eerder verscheen in Vlaanderen Kom eens naar mijn kamer van Vic De Donder, een boek over een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen. Ik citeer uit een bespreking op een Vlaamse boekensite: 'Het college! Waar is de tijd? Voor sommigen was het niet de prettigste periode uit hun leven. Bij het horen van het woord college spuwen ze prompt liters gal. Schone tijd? Gevangenis ja. Afschuwelijke sfeer, ellendige jaren! De meesten echter reageren enthousiast, graaien terstond uit hun voorraad luimige anekdotes. En in hun hart drijven ze met heimwee terug naar die schone jaren. Er zijn mooiere gebouwen opgetrokken dan de bakstenen forten met hun brede ingangspoorten en hun immense speelplaats. De klassen waren te klein, de banken versleten, het bleekgroene bord krijtbestoven. Voor de vensters zaten tralies en in de studie stonk het naar zweet en appelsienen. Veel schiet er van die collegetijd niet over. De oude gebouwen zijn gesloopt, de priester-leraars zijn vervangen door een leger leken, de tuchprefect is een dame, wie naar een meisje kijkt wordt niet meer weggestuurd maar doet heel gewoon, want de speelplaats loopt er vol van. Vele leraars hebben op ons een onuitwisbare stempel gedrukt, hebben hun enthousiasme in hun onvergetelijke lessen op ons overgedragen. En al was de tucht keihard, al was de mentaliteit dikwijls erg bekrompen, velen bewaren aan die tijd heerlijke herinnering.'
Kom eens naar mijn kamer verscheen in 1986. Ik vraag me af of de schrijver het anno 2016 dezelfde titel zou (durven) geven.



Bedplassen

De eerste maanden van mijn verblijf in het Missiecollege voelde ik me blijkbaar dermate op mijn gemak dat ik als elfjarige opeens weer geregeld 's nachts in bed plaste. De pater-surveillant gebood me om bij de eerste sortie - rond Allerheiligen - thuis een zeil te vragen ter bescherming van de matras. Dat deed ik niet, omdat ik het niet wilde of durfde. De boze surveillant legde na de herfstvakantie een hard, krakend stuk plastic in mijn bed. Korte tijd later was ik gelukkig verlost van mijn enuresis nocturna. Het stuk plastic werd verwijderd en ik hoefde rond middernacht niet meer gewekt te worden om op weg naar de w.c slaapdronken lotgenoten tegen te komen.

Slaapzaal zoals in het Missiecollege

Hygiëne

Gezond opgroeien deed je in het Missiecollege ook zonder de hedendaagse gewoontes op het gebied van hygiëne: één keer per dag gezicht en handen wassen, één keer per week (kort en koud en zedig) douchen, één keer per week een schone onderbroek, één keer per week schone kousen. Tenminste, als je voldoende schoon goed van thuis had meegebracht. Het maakte niet uit dat je je iedere dag in het zweet rende op de speelplaats, het maakte niet uit dat je op woensdag voetbalde op een modderig veld zonder kleed- of wasruimtes. Met sport- en bovenkleding liep je weken, maanden zonder dat die gewassen werd. Mijn voetbalkousen stonden soms stijf van het vuil. En op een grijze trui morste ik ooit stoofvlees tijdens het middageten. Ik weet nog precies om welke trui het ging, ik weet nog precies hoe hij maanden later rook!


Het rozenhoedje

Tussen het laatste lesuur van de ochtend en het middagmaal werd het rozenhoedje gebeden. Dat bestaat uit vijf tientjes van ieder één onze vader en tien weesgegroetjes. In de cyklus Vlaamse kost & school uit mijn bundel Klein joernaal (1979) staat volgend versje daarover:

's Middags, op de speelplaats
liepen we rondjes
in rijen van drie
en baden de rozenkrans
Wie het langst een steentje
aan de voet kon houden
had gewonnen

Een van de paters die ik eind jaren negentig in de Picardie in Nijlen terug zag, citeerde tot mijn verbazing het hele versje uit het hoofd.
Als het regende werd het rozenhoedje in de studiezaal gebeden. Wie een rozenkrans of paternoster had mocht na het eerste tientje gaan zitten. Wie er geen had moest blijven staan. De paternosters waren redelijk makkelijk los te haken zodat je twee stukken kreeg. Eén gedeelte werd uit solidariteit gegeven aan een  leerling die geen paternoster (meer) had. Je moest het resterende stuk wel zó tussen je vingers houden dat de pater-surveillant het bedrog niet in te gaten had.


De fanfare

De fanfare was één van de paradepaardjes van het Missiecollege, vooral als er in de stad acte de présence gegeven moest worden in processie of stoet. Nieuwe leerlingen werden de eerste week al door de prefect naar het repetitielokaal gedirigeerd om getest te worden op muzikale kwaliteiten. Jongens als Herman L en ik stonden na tien seconden weer buiten: we kregen geen geluid uit trombone of trompet.

De fanfare oefent.

Het knapenkoor

Pater Piet M was vele jaren dirigent van het knapenkoor van het Missiecollege. 'Daarin mogen zingen had zo z'n voordelen,' schrijft Dirk W die van 1965 tot 1967 in het internaat verbleef. 'In mijn tweede jaar had ik het zo geregeld dat ik als handwerk c.q. corveedienst het muzieklokaal mocht schoon vegen: weinig werk en veel muziek.'
In 1966 haalde het koor de tweede prijs in het Europees Muziekfestival dat plaats vond in Neerpelt. De zangers moesten een weekend overblijven, maar mochten als compensatie naar Bobbejaanland, dat pas geopend was. Optreden deed het koor ook in Gentinnes, bij de herdenking van de moord op 20 paters in Kongolo (1962). Verder zong het geregeld in de Lierse Begijnhofkerk. Dirk W: 'Het was op zich al een traktatie dat je buiten de muren van het college mocht komen zonder te moeten voetballen, want daar was ik niet bepaald goed in.'
Veel andere goede herinneringen aan zijn collegetijd heeft Dirk W niet: 'Ik was dan wel de lieveling van pater M omdat ik zo goed kon zingen, maar met pater K, de Big Boss, heb ik twee jaar op voet van oorlog geleefd, en dat was niet leuk!'

Voor de Begijnhofkerk, klik op afbeelding voor vergroting.

De latrines

Jos P, die van 1948 tot 1952 op internaat zat in het Missiecollege, beschikt over uitgebreide aantekeningen en/of scherpe herinneringen. In Bewogen verhalen. Herleefd verleden schrijft hij het volgende over de w.c.'s: 'De latrines bij de speelplaats lagen in open lucht, gedeeltelijk in de schaduw van een linde, waarvan de wortels de gebarsten tegels van de vloer omhoogduwden. In de winter door sneeuw en ijzel en in de zomer door de zoete lindebloesem kon het er aardig glad zijn. De houten deuren gaven dekking van sokkenhoogte tot schouderhoogte. Daarachter stonden de witte closetpotten waarvan de zijrand bovenaan met hout was afgerond. Een centrale opening bood een rechtstreekse verbinding met de aalput. Om ons te reinigen gebruikten we oude gazetten. In de naaste buurt was er nergens een gelegenheid om de handen te wassen. De pissijnen stonden naast de gemakken. Het waren nog van die halfkegelvormige ijzeren bakjes, wit geëmailleerd van binnen en zwart van buiten. Zo hadden ze er ten minste moeten uitzien maar ze waren in zo'n erbarmelijke staat dat een broeder de opdracht kreeg een muur met citroengele tegels te bekleden. Zo ontstond een nieuwe urinoir.'
In de jaren zestig konden de gemakken wel doorgespoeld worden. Tussen die gemakken en de pissijnen was ook een waterkraan aangelegd. Die mocht alleen gebruikt worden met toestemming van de pater-surveillant. Ik kan me niet herinneren dat wij na toiletgebruik onze handen wasten. Die waterkraan was vooral geliefd als we ons tijdens de middagpauze een uur lang in het zweet hadden gevoetbald. De surveillant, die naast de kraan stond, bepaalde of en hoe lang je mocht drinken. Tja, het was een tijd dat het nog van karakter getuigde als je niet toegaf aan dorst.


Op kamp

Met de Pioniers van het Missiecollege ging ik verschillende zomervakanties op kamp. Ik sliep in tenten of koestallen in Lourdes, St Maartensvoeren, Wanne en Eupen.
Vooral St Maartensvoeren is me bijgebleven. We schreven 1964 en de Voerstreek was kort ervoor onder veel protest overgeheveld van Wallonië naar Vlaanderen. Onze leiders waren stoere binken. Iedere avond zongen ze vol overgave O Heer, d’avond is neergekomen. Dat lied eindigde met de regel: Geef ons, Heer, zegen en rust en vrêe ! Vervolgens trokken ze er de halve nacht op uit om te knokken met de Walen. Muren en wegen werden vol gekalkt met Vlaamse leuzen. Een enkele (Waalse!) kreet is daar nu nog steeds te lezen.

Rondje Voerstreek vanuit Maastricht

Leesstudie

Na de reguliere avondstudie was er in het Missiecollege een half uur leesstudie. Van acht tot half negen. Dan mocht je boeken lezen die je kon lenen in de bibliotheek van het internaat. De serie over Winnetou van Karl May was populair. Spannende verhalen met titels als 'Winnetou, het grote opperhoofd', 'De zoon van de berenjager', 'Old Shatterhand' en 'De Zwarte Mustang'.
Maar het meeste indruk op mij maakte 'Vlucht uit Boedapest' van W.J. Verbeeten. Ik citeer een boekensite: 'Als de 15-jarige Gellért Szémendi in 1956 het uitbreken van de opstand ziet, wil hij ook meevechten. Samen met zijn vader helpt hij de verzetstrijders bevoorraden. Als zijn oom gewond raakt en agenten huiszoeking komen doen, moeten zij vluchten. Tijdens de treinreis raken Gellért en zijn moeder gescheiden van zijn vader en zijn zusje. Na vele spannende avonturen bereiken zij Oostenrijk en later Nederland. Daar wordt het gezin tenslotte herenigd.'
Het gebeurde geregeld dat ik niet tot de leesstudie kon wachten en een boek tijdens de reguliere studie tussen mijn leerboeken op mijn lessenaar legde in de hoop dat de pater-surveillant het niet zou merken. Ik werd een keer betrapt door pater V. Ik stopte het leesboek weg maar haalde het daarna opnieuw boven. Plots stond pater V weer naast me. Ik had hem niet horen aankomen. Hij gaf me een mep, zo hard dat mijn wang er uren later nog van gloeide.


Stations

Stations hebben bij mij heel lang mistroostige gevoelens opgeroepen. In 1991 schreef ik na een bezoek aan het station van Hasselt:

Zoveel jaren later ruikt het
hier nog steeds
naar jongetjes van elf,

wat zij op zondagavond
in de trein naar kostschool
leerden

was afscheid nemen,
één van de weinige vakken
waarvoor ik
ruim voldoende kreeg


Mijn oudste zoon was toen elf. Ik moest er niet aan denken dat ik hem op zondagavond met zijn koffertje op de trein van Maastricht naar Weert of Venlo zou zetten om hem een maand later weer thuis te zien komen. Mettertijd - met het ouder worden van mijn zonen?- verdween mijn neerslachtigheid in stations. Tegenwoordig stap ik zelfs iedere woensdag vrolijk in de trein naar het twee uur verderop gelegen Utrecht om op mijn kleindochter te passen!

Pater C

Pater C was een geduldig man. Jongerejaars kenden hem als 'de ziekenpater' bij wie ze 's avonds tussen half negen en negen uur terecht konden met al dan niet vermeende lichamelijke klachten. De ouderejaars kenden hem ook als de leraar die Latijn, Nederlands en Kunstesthetica gaf. Pater C had een lange witte baard. Aan die baard en zijn toog kon je soms zien dat hij bij zijn ontbijt een zacht gekookt eitje had gekregen. Mijn belangstelling voor poëzie en film heb ik aan hem te danken. Het handboek Van Zuid en Noord  (met gedichten van Rodenbach, Gezelle, Gorter, van Ostayen etc.) is het enige leerboek dat ik ook voor m'n plezier las. In de lessen Kunstesthetica werden onder meer de films Citizen Kane en De fietsendieven behandeld. Daarna vergat je nooit meer wat vogel- en kikkerperspectief is. Pater C leerde ons ook dat de omstandigheden belangrijk zijn om van kunst te kunnen genieten. Daarvoor gebruikte hij de schoonheid van een heerlijk glas bier met een prachtige schuimkraag: 'Maar na een zware fietstocht in volle zomer wilt ge allemaal maar één ding!'


Roepingen

Op 1 januari 1962 werden in Kongolo (Katanga) 20 missionarissen van de Paters van de H.Geest vermoord. De jongste van hen, Theo Schildermans, was 28. Hij verbleef in het Missiecollege van 1945 tot 1952. Een periode dat er nog veel priesterroepingen waren. Dat veranderde in de roerige jaren zestig. Tijdens mijn Missiecollegejaren (1962-1969) ging welgeteld één leerling naar het noviciaat. In 1970 begon ik in het Maastrichtse ziekenhuis St Annadal aan een opleiding tot verpleegkundige. Opvallend was dat een groot aantal Belgische leerlingen van het mannelijk geslacht rechtstreeks van een Vlaams internaat kwam. Alsof de ene roeping tegen de andere was ingeruild.





De KSA

Vrijwel iedere leerling van het Missiecollege werd lid van de KSA (Katholieke Studentenactie). In mijn herinnering was de jeugdbeweging vooral actief op de zondagen die we moesten overblijven: wandelingen, stadsspelen, veldlopen, bonte avonden. De invloed van de KSA (Alles Voor Vlaanderen / Vlaanderen Voor Kristus!) was in de jaren zestig veel minder dan in de jaren veertig en vijftig.
Gilbert S schrijft in Bewogen verhalen. Herleefd verleden het volgende: 'De KSA was dé ervaring. We leerden marcheren als de besten, we leerden voordragen en een toespraak houden. We waren knaap, hernieuwer en leider. De KSA ontwikkelde in ons het leiding geven. Later, in ons  privéleven hebben velen dat als een pluspunt ervaren.'
En Geert L: 'Aan de KSA heb ik zeer veel te danken. Het heeft mijn leven voor een belangrijk deel beïnvloed. Ik ben er gevoelig geworden voor de Vlaamse ontvoogding binnen België. Ik leerde er kritisch zijn en werd activist. Maar vooral heb ik er geleerd samen te werken om veranderingen te laten groeien.'
In de jaren vijftig gingen KSA-leden niet alleen op kamp in o.m. Bergen op Zoom en Balen-Neet, een groepje trok zelfs ter beevaart naar Rome. Het was ook de tijd van de ABN-acties. Zo kort na de Tweede Wereldoorlog leidde dat ook in het Missiecollege tot felle polemieken: Vlaamsgezindheid en collaboratie waren voor sommigen synoniemen.

Een KSA-afdeling in actie.

Voetbal

Voetbal was de enige sport in het Missiecollege. Tijdens de speeltijden werd er op twee betegelde speelplaatsen meer gevoetbald dan onze schoenzolen lief was. Legendarisch waren de wedstrijden Limburg tegen de rest. Degenen die niet van het spelletje hielden, kwamen er bekaaid van af. Heel soms werd er een volleybelnet opgehangen en na veel zeuren en lobbyen kwam er ook een basketbalring. De drie laagste klassen wandelden iedere woensdagmiddag naar een drie á vier kilometer verderop gelegen patattenveld zonder doelpalen om elkaar te bekampen. Voor de echte voetbalfanaten was het zaak om geselecteerd te worden voor de kadetten- of juniorsploeg, die in competitieverband tegen andere scholen voetbalden. Eén maal wonnen de juniors de befaamde Kardinaalsbeker. Wat mezelf betreft: ik heb in Lier menig jongensverdriet uit hoofd en ziel gevoetbald.

De juniorsploeg van 1967-1968

Kapelbanken

Hoeveel uren bracht je als Missiecollege-leerling door in de kapel, op een houten bank, meer knielend dan zittend én zonder kussentje onder de knieën? Tijdens het ochtendgebed, het avondgebed, de gelezen mis, de hoogmis, het lof, de vespers, de biecht, de retraite en wat nog meer!
Als katholieke atheïst dan wel ongelovige katholiek kom ik alleen nog in de kerk bij begrafenissen. Ik kniel dan vaker dan wordt gevraagd en ik weiger pertinent een kussentje te gebruiken, want ik wil het weer voelen: mijn knieën op het harde hout. De druk proberen te verlichten is verboden; met een kaarsrechte rug mijn volle gewicht op mijn knieën laten rusten, zo doe ik penitentie. Alleen al daarom zou ik iedere zondag naar een gezongen hoogmis moeten!


Misbruik

Een jaar of vijf geleden kreeg ik een mailtje van een dame uit de Antwerpse Kempen. Ze las op Fietsvarianten dat ik in de jaren zestig net als haar echtgenoot op kostschool zat bij de Paters van de H.Geest, in Lier. 'Mijn man,' zo schreef ze,'werd er misbruikt door een pater; weet u om welke pater het zou kunnen gaan?'
Tsja. Buiten de schurende knuffels van de immer slecht geschoren pater prefect, had ik alleen last van pater T. Tijdens zijn lessen moest ik mijn ellebogen binnenboord houden, want dwalend door de klas liet hij niet na me aan te stoten. Ik moest er ook voor zorgen dat ik hem niet in m'n eentje tegenkwam. Eén keer was me dat niet gelukt. Hij bedelde om een zoen op zijn wang en tikte met zijn wijsvinger tegen de gulp van mijn korte broek. In mijn bundel Klein Joernaal (verschenen in 1979) staat de cyklus Vlaamse kost & school. Daarin staat o.a: 'Meerdere paters op zo'n manier / van mijn lijf houdend / dat het uitzicht  op een voldoende / voor hun vakken behouden bleef ...'.Of en in welke mate andere leerlingen last hadden van soortgelijke handtastelijkheden, weet ik niet: er werd veel gegniffeld maar nooit verteld wat er precies gebeurde.
Pater T ben ik vele jaren later nog 'ns tegen gekomen in de Picardie, het Nijlens rusthuis van de Spiritijnen. Ik heb de tachtiger niet aangesproken op zijn toenmalig gedrag. Ik had er geen behoefte aan en ik had niet voor hem 110 km langs het Albertkanaal gefietst. Dat deed ik wel voor pater Armand, die ik tijdens mijn laatste twee kostschooljaren leerde kennen. In een restaurant, in de buurt van de B&B waar ik logeerde, hebben we een avond lang zitten bomen. Pater Armand is namelijk de man die mij leerde nadenken over God, Leven & Liefde. Het enige waar hij het niet over had, was de Dood. Dat verklaart wellicht waarom ik meer dan veertig jaar werkzaam ben geweest in de ouderenzorg.
Het voorgaande liet ik weten aan de dame uit de Antwerpse Kempen. Een dag later kreeg ik een reactie: haar man was zeventien jaar eerder door zelfdoding om het leven gekomen. Er wordt (niet alleen) door haar een rechtstreeks verband gelegd met wat er gebeurd is in Lier, en dat was vele, vele malen erger dan wat mij overkwam.


Kaarten

Lang voor ze door de FIFA op de voetbalvelden geïntroduceerd werden, strooiden de Paters van de H.Geest er al mee in het Missiecollege. Niet alleen met gele en rode, maar ook met blauwe en witte kaarten. Maandelijks kreeg iedere leerling er eentje. De kleur werd bepaald door zijn punten voor gedrag, vlijt, orde en zindelijkheid. Zo'n kaart werd uiteraard naar de ouders gestuurd. Veel erekaarten (rood) heb ik niet gekregen, ik moest het meer hebben van de blauwe (goed) en gele (redelijk). Met een witte kaart (onvoldoende voor gedrag) kwam je in de problemen: kreeg je er daar twee of drie van in één schooljaar, dan kon je je koffers pakken om nooit meer terug te keren.


Nooit met twee, minstens met drie

Numquam duo, semper tres is een uitspraak die in het Missiecollege geregeld werd gebruikt als een pater-surveillant op de speelplaats twee leerlingen al te lang met elkaar zag optrekken. Je wist maar nooit welke bijzondere vriendschap (met bijhorende zondige gedachten en handelingen) daaruit kon ontstaan. Hoe groot die angst was vertelt Jos van H (die in 1966 eindexamen deed) in Bewogen verhalen. Herleefd verleden: 'Op een gewone middag voetbalden we op de speelplaats. Zoals wel vaker gebeurde vloog de bal over een twee meter hoge muur waarachter een opslagplaats lag. Doorgaans kregen één of twee leerlingen toestemming om over de muur te klimmen en de bal te gaan zoeken. Dit keer was Jozef T aan de beurt. Omdat hij de bal blijkbaar niet kon vinden, volgde ik hem. Toen de speeltijd ten einde was hadden we de bal nog steeds niet. Onverrichterzake keerden we terug. Pater prefect zag ons over de muur komen. Het was duidelijk dat hij ons verdacht van een bijzondere vriendschap. Hij was er kennelijk van overtuigd dat we van de vrijheid gebruik hadden gemaakt om elkaar te knuffelen. We kregen allebei een flink pak slaag en ik moest achter in de studiezaal naast de surveillant op mijn knieën zitten.'

Huidige speelplaats, nu basisschool Gummaruscollege.

Vlaamse haai

Jos M had een hartgrondige hekel aan het internaat en liet dat ook merken. Hij stond te boek als bijzonder recalcitrant. Het vak biologie werd gegeven door pater T, een West-Vlaming die moeite had met het uitspreken van de 'g'. Gent en Brugge klonken bij hem als Hent en Bruhhe. Tijdens een les over vogels werd Jos naar voren geroepen om de soortnamen, die pater T dicteerde, op het bord te schrijven. Bij de vlaamse gaai gekomen, schreef Jos wat hij hoorde: vlaamse haai. Hij weigerde er een gaai van te maken: 'Ik schrijf op wat u dicteert,' bleef Jos volhouden. Hij werd de klas uit gestuurd met een flinke mep in zijn gezicht - pater T stond bekend om zijn slagkracht - en een paar strafstudies. Het was voor Jos het zoveelste bewijs dat die paters niet deugden.


Bloedworst

Een culinaire opvoeding kregen de leerlingen van het Missiecollege niet. Mijn hele leven al ben ik tevreden met een boterham met stroop. Ik kan me niet herinneren dat het eten slecht was. Soms was het vechten om genoeg te krijgen, dat wel. Vooral op vrijdag, als er per tafel twee keer een kom met frites rond ging. De tafelbaas moest toezicht houden op een eerlijke verdeling.
Waar vrijwel iedereen een hekel aan had, was de bloedworst die op zaterdag geserveerd werd met aardappelen en appelmoes. Omdat geen enkele tafelgenoot meer dan één van die worsten lustte en omdat je pas van tafel mocht als je je worst verorberd had, namen de meesten een stuk papier mee naar de refter. Het was de kunst om een worst ongezien in papier gewikkeld in je broekzak te laten verdwijnen. Na het eten ontstond er steevast een run naar de toiletten. Of zo'n broek 's avonds de was in ging? Uiteraard niet, zo'n broek werd nog dagen, weken gedragen eer ze thuis in een wasmand kon.


Gregoriaans

Wat ik ongetwijfeld aan mijn Missiecollegejaren te danken heb, is mijn liefde voor het Gregoriaans. Met name voor de gezangen die bij een begrafenis horen. Ik was lange tijd werkzaam in de ouderenzorg, onder meer als hoofd van een afdeling in een verzorgingshuis. Wanneer een bewoner overleed, probeerde ik altijd naar de begrafenis te gaan. Zodoende kende ik alle (toen nog open zijnde) kerken, pastoors en zangkoren van Maastricht. Iedere keer hoopte ik op een prachtig gezongen Dies Irae, Requiem, Absolve en In Paradisum.
Als ongelovige katholiek c.q. katholieke atheïst lijkt het me wel wat: een niet kerkelijke uitvaartdienst in een crematorium waarbij Gregoriaanse begrafenismuziek wordt gedraaid!


Film

Om de zoveel tijd werd er in het Missiecollege op zondagavond een film gedraaid. Ik herinner me alleen De Missionaris. Die stond ieder jaar op het programma. Niet de inhoud is me bijgebleven, maar de sfeer: de hitte, het landschap, de mensen, de Afrikaanse muziek.
Dicht bij het Missiecollege lag een bioscoop. Het was voor ons streng verboden om naar de affiches te kijken. Schaars geklede dames als Brigitte Bardot, Ursala Andress of  Sophia Loren zorgden binnen de Missiecollegemuren voor pieken in het zondigen tegen het zesde en negende gebod.

Don Camillo

Tijdens het ontbijt mocht er in het Missiecollege niet gepraat worden. Ouderejaars leerlingen lazen vanaf een spreekgestoelte per toerbeurt voor uit een boek. Meestal passeerden 'heiligenlevens' de revue, af en toe was er ruimte voor iets luchtigs. Zoals de boeken over don Camillo, de Italiaanse dorpspastoor en zijn strijd met Peppone, de communistische burgemeester. De pastoor werd regelmatig tot de orde geroepen door Jezus, die hem in de kerk vanaf zijn kruis toesprak. De verfilming van de boeken, met Fernandel in de hoofdrol, maakten van don Camillo een beroemheid. Hoe katholiek ook, niet alle passages uit die romans mochten voorgelezen worden. Frivoliteiten van wulpse of verliefde dorpsbewoonsters werden overgeslagen. De surveillerende pater wist precies op welke pagina's in welk boek die voorkwamen, en hij wist ook precies welke leerlingen hij niet op het spreekgestoelte wilde hebben als die passages er aan kwamen.


Bezoekdag

Aan het eind van ieder schooljaar was er een bezoekdag voor de familie van de leerlingen. Op een zondagmiddag probeerde het Misssiecollege zich van een feestelijke kant te laten zien: de fanfare trad op, KSA-leiders zwaaiden met vendels, alle klassen voerden gezamenlijk in een geheel witte outfit een gymnastiekoefening uit die ingestudeerd was tijdens de wekelijkse turnlessen, op één van de speelplaatsen stonden tafeltjes en stoeltjes waar ouders in gesprek konden gaan met de paters-docenten. Het eerste jaar kreeg mijn moeder van pater F, de prefect, te horen dat hij er vast van overtuigd was dat ik een jongen met een roeping (voor het priesterschap) was. Vanaf het tweede jaar heeft hij er met geen woord meer over gerept.

Met pater S, klassetitularis van 6A aan tafel

De ziekenkamer

Als je door de hoofdingang van het Missiecollege naar binnen ging, zat je in het blok van de paters. Op de begane grond lagen, zover ik me herinner, twee kantoren en een spreekkamer, op de eerste en tweede verdieping hadden de paters hun kamers en een recreatiezaal. Op de bovenste etage lag 'het duivenkot', de slaapzaal van een groep jongerejaars. Naast de recreatiezaal van de paters, waar de sigarenrook uit ramen, deuren en kieren walmde, lag de ziekenkamer. Zes bedden stonden er. Wie echt koorts had of de onder een oksel gestoken thermometer op een andere manier boven de 38,5 wist te krijgen, mocht daar een tijdje herstellen. Ik heb er één keer gelegen met een fikse griep. Dat was in mijn tweede jaar Lier. Op een avond kwam pater S mij en mijn drie lotgenoten opbeuren. Hij had zijn gitaar bij. Pater S was nog jong en vol idealen. Zijn gitaar nam hij ook geregeld mee naar de lessen (Latijn) die hij gaf.  En in de lange middagpauze ging hij met de leerlingen die dat wilden, naar een voetbalveld elders in de stad. Zijn enthousiasme werd hem niet in dank afgenomen door de directie en sommige van zijn collega's. Toen ik aan mijn derde jaar Lier begon, was pater S uit het Missiecollege vertrokken. Of verbannen. Antwoord op onze vragen daarover hebben we nooit gekregen.


De Big Boss

Bij het begin van ieder schooljaar kregen de leerlingen van het Missiecollege te horen welke plaats hen was toebedeeld op de slaapzaal, in de studiezaal, de refter, de kapel en het klaslokaal. Altijd weer spannend: naast wie kom ik te zitten of te liggen! Aan het begin van iedere trimester werd bepaald welk handwerk, ook wel corvee genoemd, iedereen de volgende drie á vier maanden dagelijks tussen acht en kwart voor negen moest verrichten: patatten jassen in de aardappelkelder; slaapzalen vegen; tafels afruimen en dekken in de refter; de tuin onderhouden; speelplaatsen schoon vegen; koster spelen in de kapel; w.c.'s poetsen.
In 1966 stond ik op voor één van de slaapzalen. Er werd toezicht gehouden door pater K, alias de Big Boss. Hij rookte een pakje Johnson per dag, zwaardere sigaretten waren er niet. De godsdienstlessen die hij gaf in de lagere klassen bestonden uit het letterlijk voorlezen van het handboek. Bijzonder saai, maar iedere leerling had schrik van hem: hij had zijn bijnaam niet gestolen. Een missionaris met veel heimwee naar de Congo.
Tijdens mijn corveedienst ontstonden er leuke discussies met de Big Boss over STVV, de Limburgse voetbalploeg die dat jaar furore maakte met een geheel nieuwe speelstijl - de buitenspelval - en bijna kampioen van België werd. Keeper Bosmans stond bij wijze van spreken meer in de middencirkel dan in zijn doelgebied. Tijdens zo'n discussie beweerde pater K dat hij in de grote vakantie met de fiets van Lier naar Godsheide, mijn geboortedorp, zou komen. Een forse, zwaar hijgende man op een damesfiets, 60 km heen en 60 km terug? Uiteraard geloofde ik hem niet. Maar jawel hoor, op een namiddag werd ik naar huis geroepen: er was een pater op bezoek! Mijn moeder had bij de slager een grote biefstuk gehaald en voor hem gebakken. De Big Boss zat met een triomfantelijke lach op zijn gezicht bij ons aan tafel.
Na de vakantie merkte ik dat er iets vreemd was met pater K: vanaf het moment dat een leerling overging naar de drie hoogste klassen, naar de bovenbouw, gunde hij hem geen woord, geen blik meer waardig. Ook mij niet.


Herinneringen

In hoeverre kloppen (sommige) herinneringen aan gebeurtenissen uit je jongensjaren? En herinnert iedereen die in de buurt was zich hetzelfde? Zo meen ik me te herinneren dat ik met enkele medeleerlingen een fietstocht maakte op zondag 27 juni 1967 en dat we in Oostmalle waren kort voor een tornado over het dorp raasde. Maar klopt dat ook? Ik leende wel vaker een fiets van een kostschoolgenoot die zo dicht bij Lier woonde dat hij geen openbaar vervoer nodig had. Maar in 1967 gingen we toch ieder weekend naar huis? Of moesten we het laatste weekend voor de grote vakantie overblijven om traditiegetrouw zowat het hele gebouw te poetsen?
Nog zoiets. Liepen wij als leerlingen van het Missiecollege wel of niet mee in de Pallieterstoet die in oktober 1965 twee keer uittrok ter gelegenheid van de 25 jaarlijkse St Gummarusfeesten? En klopt het dat wij er getuige van waren dat de middeleeuwse kledij van een deelnemer in brand vloog? Er bestaat zelfs een film van die stoet. Maar noch onze aanwezigheid noch dat ongeluk kan ik er op terug vinden.
Als beide herinneringen niet op waar gebeurde feiten berusten, hoe zijn ze dan in mijn hoofd verzeild? En wat zegt dat over alle andere verhalen die ik hier opdis?
Binnenkort zie ik weer een aantal gabbers uit die tijd. Benieuwd wat zij zich herinneren!



Zitten blijven

Het Missiecollege telde (in goede tijden) gemiddeld honderd leerlingen. Ze volgden de zes jaar durende oude humaniora en dat staat volgens de Dikke Van Dale voor: verouderde, maar nog gangbare benaming voor het algemeen vormend of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (met de vakken Grieks en Latijn). Het eerste jaar werd de zesde genoemd, het tweede jaar de vijfde en zo verder, tot je in het het vijfde jaar kwam, dan zat je in de poësis terwijl het zesde jaar de retorica heette. In de poësis maakte je kennis met Latijnse en Griekse dichters als Ovidius, Vergilius en Homerus, in de retorica kwamen redenaars (zoals Cicero) en tragedieschrijvers (zoals Sofokles) aan bod. Er was echter ook een zevende jaar: de laatste klas (het zesde studiejaar) van de lagere school. Bedoeld voor elfjarigen die om verschillende redenen al een jaartje eerder op internaat gingen. Zoals ik. Omdat ik dan mee kon met mijn broer, die een jaar ouder was dan ik. Om kosten te besparen deed ik ook een jaar eerder, samen met mijn broer, mijn Plechtige H.Communie. In het zevende heb ik overigens maar een week gezeten. Vanwege 'de goede punten' die ik behaalde mocht ik samen met drie klasgenoten over naar de zesde, het eerste jaar middelbaar. Eentje van ons, Jos F, slaagde er op die manier in een jaar eerder zijn eindexamen te halen; eentje struikelde in de vijfde; André S en ik bleven het eerste jaar al plakken. Blijven plakken deed ik ook in de poësis, toen ik zakte voor mijn herexamens aardrijkskunde en geschiedenis. Het Missiecollege liep toen al op z'n einde. Ik moest mijn voorlaatste jaar overdoen in het plaatselijke, veel grotere St Gummaruscollege en daar bleek dat ik me wel erg makkelijk doorheen de voorgaande jaren had gedroomd. Ik voelde me in Gummarus zodanig op de huid gezeten dat ik na de Paasvakantie niet meer ben terug gegaan.


Vaders

Klasgenoot Herman L was indirect aanleiding voor de eerste politieke discussie bij ons thuis aan tafel. Dat wil zeggen: toen ik op een zondag, ergens in 1967, tijdens het middageten heel enthousiast begon te praten over Herman’s vader en zijn strijd voor de Vlaamse zaak, ging mijn vader woedend en zonder een woord te zeggen van tafel. Mijn moeder probeerde te sussen, zei dat ik daar nooit meer over moest beginnen, dat het met de oorlog te maken had, dat veel Vlaamsgezinden met de Duisters hadden geheuld, dat mijn vader in het verzet had gezeten.
Herman distantieerde zich tijdens zijn studie aan de universiteit van zijn vaders gedachtengoed en is sinds die tijd politiek (en syndicaal) actief voor de socialisten. Zelf kreeg ik na die zondag in 1967 beetje bij beetje te horen welke keuzes mijn vader op zijn twintigste had gemaakt.

Bevrijdingsfestival Roermond

De H.Pancratius

Ik heb de neiging om alles, wat ik niet meer nodig denk te hebben, op te ruimen. Uit mijn Missiecollegejaren heb ik desondanks heel lang een aantal dingen bewaard: een dagboek (geschreven in 1967-1968), een schrift met uitslagen en verslagen van de wedstrijden die ik één seizoen met de basketbalploeg speelde in een scholencompetitie, een klein schrift waarin ik aantekeningen maakte tijdens een schoolkamp in Lourdes (1963), één rapport, een aantal foto's en het missaal dat ik kreeg bij mijn Plechtige H.Communie in 1962. Alleen het rapport, de foto's en het missaal hebben mijn opruimwoede uiteindelijk overleefd. In het missaal zitten nog steeds bidprentjes (van o.a. mijn opa, overleden in 1965), communieprentjes (van dorps- en kostschoolgenoten), heiligenprentjes (van o.a. de H.Odilia en O.L.Vrouw van Banneux). Er zitten opvallend veel prentjes (zeven stuks) bij ter ere van de H.Pancratius. Aan de binnenzijde staat een lang gebed, aan de voorzijde wordt de martelaar afgebeeld met daaronder de tekst: Bijzondere patroon tegen haarworm, hoofdpijnen, zweren en allerhande huidziekten. Vereerd te Ranst. Dat laatste verklaart wellicht de herkomst van die prentjes. Enkele klasgenoten kwamen uit Ranst, een dorp in de buurt van Lier. Waarschijnlijk heb ik een schooljaar lang naast één van hen in de kapel gezeten.


De biecht

De Heilige Communie en de Biecht waren de twee (van de zeven) sacramenten die we in het Missiecollege het meest ontvingen. Biechten, oftewel onze zonden belijden, moesten we iedere week. Eén van de meest geliefde biechtvaders was pater M, ook wel 'den ouwe' genoemd. Veel kostschoolgangers van de drie hoogste klassen gingen graag bij hem te rade. Voor zonden tegen het zesde (doe nooit wat onkuisheid is) en negende gebod (wees steeds kuis in uw gemoed) gaf hij naast vergeving een standaard penitentie (boetedoening) en die bestond uit het bidden van vijf onzevaders en vijf weesgegroetjes. Het was een penitentie die graag gedeeld werd met mede-leerlingen: het leverde je naast besmuikt gelach ook het nodige aanzien op.


Lyra of Lierse

Het duurde tot eind jaren zestig eer de leerlingen van het Missiecollege wekelijks naar huis mochten. Tot die tijd werd er op zondagmiddag geregeld een voetbalwedstrijd bijgewoond. In Lier had je twee clubs die toen veel beter presteerden dan tegenwoordig. Omdat Lyra een duidelijk katholieke signatuur had en SK Lierse niet, moesten we ons lange tijd tevreden stellen met wedstrijden in 3e nationale. Vanaf 1966 mochten we ook naar Lierse. En zo zagen we hoe geel-zwart op 8 mei in een tjokvol stadion het grote Anderlecht met 2-1 klopte. Heijlens, Verbiest, Kialunda, Hanon, Jurion, van Himst, Stockman, Mulder, Puis: we hebben hen in het echt zien voetballen!

RSC Anderlecht. Zittend in het midden: Jan Mulder

Zeventien of de zomer van 1968

In juli van het jaar 1968 raakte ik zwaar verliefd op M. Hoewel onze zomer slechts zes weken duurde - toen ging M terug naar haar vroegere vriendje - gebeurde er van alles. Ik zakte voor mijn herexamens aardrijkskunde en geschiedenis; ik zette zonder het te weten het jeugdkamp, waar M leidster was, in rep en roer; ik kreeg een proces verbaal omdat ik het getoeter van twee rijkswachters negeerde en naast M bleef fietsen op een drukke weg.
Pater Armand, die in Lourdes een bedevaart begeleidde, schreef me: 'Beste Miel, wat me nog het meest verwondert is dat ge meer treurt om de verloren vriendschap van en met een meisje dan om het niet slagen voor uw herexamens. Is dat geen teken van misplaatst accent? De waardeladder in uw leven moet eens grondig worden nagekeken.'


Nieuwe tijden

De laatste twee jaren (1967-1969) van mijn Missiecollegetijd veranderde er veel in het internaat. Dat had niet alleen te maken met de maatschappelijke ontwikkelingen maar zeker ook met de komst van pater Armand, de nieuwe prefect van de hoogste klassen. Opeens was er ruimte voor een abonnement op een krant (de Gazet van Antwerpen); er kwam een frisdrankenautomaat in de recreatiezaal; er mocht muziek gedraaid worden van Boudewijn de Groot, Simon & Garfunkel, de Beatles en noem maar op; we liepen mee in enkele betogingen (Leuven Vlaams!); het tijdschrift FAX 112 verscheen; er mocht vaker gerookt worden (hoeveel sigaretten ben ik André C nog schuldig?);  er vonden moderne misvieringen plaats in de recreatieruimte; de gesprekken met pater Armand gingen ergens over; als we op zaterdagmiddag geen geld meer hadden voor de trein omdat we te veel verloren hadden bij het wiezen, gingen we liftend naar huis. Geen wonder dat zoveel van mijn Lierse generatiegenoten met een glimlach terugdenken aan den Armand.

Pater Armand, in 2009

Van oude paters ...

Van je twaalfde tot je dood (op pakweg je negentigste) leven in een celibataire mannenclub waarbij je (niet zelf gekozen) lotgenoten moet liefhebben als je zelf: een zware opgave waarbij enige hulp van waar dan ook niet overbodig lijkt. Daar moest ik aan denken toen ik na de eeuwwisseling in de Picardie in Nijlen was en verschillende docenten uit mijn Missiecollegetijd terug zag. Mannen, geboren in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, opgegroeid in de crisis- en oorlogsjaren, geroepen door God, volwassen geworden als toonbeelden van de Katholieke Kerk, al dan niet in de Congo geweest om negertjes te bekeren, vele jaren geprobeerd jonge Vlamingen te kneden, lijdzaam toegezien hoe gezag, aanzien en geloof taanden in de jaren zestig, oud geworden in een tijd dat confraters wereldwijd beschuldigd werden van seksueel misbruik...

Begin jaren vijftig